Ga naar hoofdinhoud
Het leven van een legkip

Het leven van een legkip

4 hoofdstukken · ± 41 min lezen

Gepubliceerd op

Laatst bijgewerkt op

Waar is gefilmd

9 locaties

Alle locaties

De eierindustrie kwam de afgelopen jaren negatief in het nieuws. Het Fipronil-schandaal, de vogelgriep, de hoge uitvalcijfers, eendagskuikens en de grote welzijnsproblemen bij leghennen. Vaak ontbrak het in de berichtgeving aan een bredere context om de dieper liggende oorzaken van deze problemen te kunnen zien of worden zaken eenzijdig belicht.

De industrie zelf nam initiatieven om het imago op te poetsen, bijvoorbeeld met de Rondeel-stal of het nieuwe Kipster.

Ongehoord heeft sinds 2016 zowel veld- als literatuuronderzoek verricht om een eerlijk beeld te scheppen van de eierindustrie. Hieruit blijkt dat er geen reëel vooruitzicht is op verbetering, omdat ziektes, sterfte en gedragsproblemen in direct verband staan met de systematiek van de industrie. Waar het houderijsysteem wordt veranderd om het dierenwelzijn te vergroten, blijven grote bezwaren bestaan en komen soms oude problemen weer boven.

De in dit rapport gebruikte foto's zijn afkomstig van undercoveronderzoek, uitgevoerd door het onderzoeksteam van Ongehoord. Op www.ongehoord.info zijn video- en fotomateriaal te bekijken van verschillende houderijsystemen. Ook veelgebruikte brondocumenten zijn op deze website in te zien. Ongehoord wil graag de discussie aanwakkeren over het bestaansrecht van de eierindustrie.

Leghennen in een stal van de eierindustrie

De boom in

Hoofdstuk 1 / 4

Natuurlijke leven en de intelligentie van de kip

De huidige gedomesticeerde kip is het resultaat van duizenden jaren fokken. Haar natuurlijke voorouder is de Rode Kamhoen (Gallus Gallus) waaruit de kip naar schatting zo’n 8000 jaar geleden is ontstaan. De Rode Kamhoen, of ook wel bankivahoen genoemd, is een tropisch lid van de fazantenfamilie en is ongeveer zo groot als een krielkip. De Rode Kamhoen komt voor in de dichte bossen in India en Zuid-Oost Azië en de gekleurde veren zorgen ervoor dat ze goed gecamoufleerd zijn tussen de rode en bruine bladeren op de grond. Ook al kunnen ze korte afstanden vliegen, ze verplaatsen zich vooral door te lopen en geven de voorkeur aan dicht begroeide gebieden voor beschutting en bescherming. De Rode Kamhoen is actief in de vroege ochtend, slaapt overdag en wordt aan het eind van de middag weer actief tot in de schemering. De hanen kraaien ‘s ochtends vroeg om de grenzen van hun territorium aan te geven en om de hiërarchie te bevestigen. In India leven kamhoenen in groepen van gemiddeld 5 individuen en is hun leefgebied 50 hectare groot.

De hedendaagse kip

Ondanks de grote fysiologische verschillen, vertonen legkippen gedrag dat we ook zien bij de Rode Kamhoen, vooral wanneer gedomesticeerde kippen de kans krijgen zich natuurlijk te gedragen. Als gedomesticeerde kippen worden losgelaten in het wild, blijken ze gedrag te vertonen dat sterk vergelijkbaar is met dat van de Rode Kamhoen. Kippen hebben een ingewikkelde sociale structuur. Een groep bestaat uit 4 tot 30 individuen met meestal één dominante haan en verder ondergeschikte hennen en hanen. De groep slaapt vaak samen in dezelfde boom. De dominante haan beschermt zijn territorium, maar tolereert de aanwezigheid van ondergeschikte hanen. Hij jaagt deze hanen wel naar de randen van zijn territorium, zodra ze jongvolwassen zijn. Ook de hennen hebben onderling een pikorde, die stabieler is dan bij de hanen. Om de hiërarchische positie van een groepsgenoot te weten, herkennen kippen elkaars kop. Kippen kunnen tot circa 100 soortgenoten individueel herkennen. Ook communiceren hanen over hun positie door te kraaien. Daarnaast kijken kippen naar het gedrag van groepsgenoten om te bepalen wat de positie is van een andere (vreemde) kip. Naast hiërarchische relaties hebben met name hennen ook vriendschapsbanden met elkaar. Dit reduceert stress en versterkt de sociale band.

Kippen in een natuurlijke omgeving met sociale interactie

Onder natuurlijke omstandigheden verlaat een moederkip, een hen, de groep zodra ze klaar is om haar eieren te leggen. De hen blijft drie weken lang op het nest zitten en gaat slechts een keer per dag kort weg om te eten en te drinken. Hoewel de embryo's nog in ontwikkeling zijn, kunnen ze al communiceren met de moeder met behulp van “klik” geluiden en het klappen van hun snaveltjes, waarmee ze hun moeder stimuleren om terug te komen naar het nest. Ook als een embryo te koud wordt, maakt het geluid, waarop de hen het ei dichter bij het nest legt. Vervolgens maakt het embryo een ander geluid om aan te geven dat hij of zij nu warm is. Doordat een kuiken al met zijn moeder communiceert in het ei, herkent een kuiken de roep van zijn moeder zodra hij uit het ei kruipt. Het net geboren kuiken begint zijn omgeving te verkennen en naar bolvormige objecten te pikken. Een hen leert haar kuikens wat eetbaar is door te roepen en naar de grond te pikken. Als de kuikens naar oneetbare dingen pikken, dan zal hun moeder hen corrigeren door intensiever het goede voorbeeld te geven. De eerste vier dagen blijven de kuikens dicht bij hun moeder. Zo blijven ze warm en krijgen ze bescherming. Als het gaat regenen, schuilen de kuikens onder de vleugels van de hen. De kuikens leren van hun moeder een stofbad te nemen en op stok te gaan. Ook laat de hen zien hoe de kuikens moeten reageren bij gevaar. Ze heeft meer dan 30 verschillende geluiden waarmee ze onder andere kan aangeven of er gevaar is en of dit gevaar uit de lucht of over de grond komt. De kuikens leren door spelgedrag ook van elkaar. Waarschijnlijk leren ze op die manier hoe ze bijvoorbeeld moeten reageren op agressie. Als de kuikens ouder worden, durven ze steeds verder van hun moeder weg te lopen. Na 6 weken lopen ze al tot 20 meter afstand van hun moeder. Vanaf deze leeftijd vormen de kuikens ook een hiërarchie. Door te hoppen (ergens naar toe springen), dreigen (gestrekt rechtop staan met de kop boven een ander), springen, trappen en agressief pikken wordt de dominantie bepaald. Na 8 tot 10 weken gaan de kuikens zelfstandig op zoek naar eten, maar ze blijven nog in de buurt van hun moeder en broertjes en zusjes. Als de kuikens 18 weken oud zijn, sluiten ze aan bij de rest van de groep. Kippen vertonen onder natuurlijke omstandigheden een vast patroon van gedragingen die erg lijkt op die van hun natuurlijke soortgenoot, de Rode Kamhoen. In de ochtend gaan ze op zoek naar voedsel (foerageren), rond het middaguur nemen ze een stofbad en in de namiddag verzorgen ze hun verenkleed. Tussendoor kunnen ze ook kort slapen. Aan het eind van de middag, tegen schemering, gaan ze voor een tweede keer op zoek naar eten. Wanneer het 's avonds donker is, gaan zij gezamenlijk “op stok”. In de natuur zijn kippen het grootste deel van hun actieve dag op zoek naar eten en hun omgeving aan het verkennen. Ook als er voldoende eten is, gaan ze nog steeds foerageren op zoek naar eventueel beter voedsel. Kippen kunnen overigens slapen en tegelijkertijd wakker zijn. Omdat het ene oog verbonden is met hun ene hersenhelft en het andere oog met de andere hersenhelft, kunnen ze dus met 1 oog open slapen, zodat ze roofdieren en ander gevaar in de gaten kunnen houden. Bij deze zogenaamde “unihemispheric slow-wave sleep” (USWS) slaapt dus maar één van beide hersenhelften.

Net zo intelligent als honden en primaten?

Uit onderzoek blijkt dat kippen veel intelligenter zijn dan vaak aangenomen. Zo hebben net geboren kuikens een getalsbegrip tot 10. Ze kunnen namelijk van 10 gaten het gat onderscheiden waar ze eten kunnen vinden. Naast een getalsbegrip hebben ze ook begrip van geometrie. Kuikens zijn in staat om de vorm van een niet complete driehoek in te vullen en af te maken en ze kunnen uit een aantal 2D-afbeeldingen van een kubus degene met de juiste 3D-voorstelling eruit halen. Naast dit sterke ruimtelijk inzicht hebben kippen een tijdsbesef en kunnen ze anticiperen op gebeurtenissen die nog moeten plaatsvinden. Zo leerden onderzoekers kippen om enkele minuten naar een touchscreen te pikken zodat ze meer eten kregen dan wanneer ze meteen naar het voedsel pikten.

Kip bij een onderzoeksopstelling voor cognitieve testen

Verbazingwekkend is het vermogen van kippen om het voortbestaan van objecten te begrijpen. Deze eigenschap houdt in dat iemand begrijpt dat een object blijft bestaan, ook als je deze niet meer ziet omdat het object is weggehaald bijvoorbeeld. Mensenbaby's ontwikkelen dit begrip pas na 6 tot 7 maanden. Jonge kuikens bleken een object dat ze door een klein raampje gezien hadden te onthouden en te kunnen opzoeken door langs obstakels te lopen. Een andere opmerkelijke eigenschap van kippen is hun zicht. Kippen hebben 5 soorten kegeltjes, terwijl de mens er maar 3 heeft. Een kip kan daarom bijvoorbeeld UV-licht waarnemen, wat een mens niet kan. Hierdoor zijn ze in staat de zon een uur eerder te zien opkomen dan wij dat kunnen. De hersenen van kippen zijn op dezelfde manier “bedraad” als onze hersenen. Met name gebieden voor cognitieve functies zoals lange termijngeheugen en probleemoplossend vermogen vertonen grote gelijkenissen. Op een aantal vlakken is het cognitieve vermogen van kippen sterker ontwikkeld dan dat van honden en katten en zelfs sommige primaten. Ook op emotioneel vlak lijken kippen erg op mensen. Zo zijn kippen in staat om net als mensen empathie te ervaren ten opzichte van soortgenoten. Hennen reageren bijvoorbeeld sterk wanneer haar kuikens of soortgenoten stress ervaren. Kippen vertonen daarnaast emoties zoals verdriet, angst, ongerustheid, enthousiasme, frustratie, vriendschap en verveling. Bovendien zijn kippen in staat om soortgenoten te misleiden om er zelf beter van te worden. Zo lokken ondergeschikte hanen, die normaal gesproken niet kunnen of mogen paren met hennen in de groep, de hennen naar zich toe door te doen alsof ze voedsel hebben om zo toch te kunnen paren. We kunnen concluderen dat de kip een sociaal en intelligent wezen is die minder van ons verschilt dan we denken.

Kip die cognitieve vaardigheden demonstreert

Van erf naar megastal

Hoofdstuk 2 / 4

Organisatie van de moderne eierindustrie

Eeuwenlang scharrelden kippen vaak los over het erf en werden ze voor zowel de eieren als het vlees gehouden. Vanwege efficiëntie en economische redenen is na de Tweede Wereldoorlog een duidelijke tweedeling ontstaan tussen zogenaamde legkippen voor de eieren en vleeskippen voor de vleesproductie. Bij legrassen wordt er specifiek gefokt op zoveel mogelijk eieren leggen en bij de vleesrassen op een zo snel mogelijke groei (de welbekende “plofkip”). In Nederland waren in 2016 in totaal ruim 46 miljoen legkippen. Het gemiddeld aantal leghennen per bedrijf neemt al sinds 2004 toe en was in 2016 maar liefst 40.698 leghennen per bedrijf. In totaal waren er in 2016 920 leghenbedrijven (36,5 miljoen leghennen) en 150 zogenaamde opfokbedrijven (9,5 miljoen leghennen). Ongeveer twee derde wordt gehouden in de provincies Gelderland, Noord-Brabant en Limburg. De 36,5 miljoen leghennen leggen circa 11 miljard eieren voor consumptie in een jaar.

Hybriden

In de moderne leghenhouderij worden zogenaamde hybriden gebruikt. Een hybride is een kruising van verschillende kippenrassen zodat er een hogere eierproductie kan worden gehaald vanwege het zogenaamde “heterosis effect”. Dit betekent dat er een kip ontstaat die beter presteert dan het gemiddelde van beide ouders. Het effect is het grootst bij een kruising van sterk verschillende rassen. Het zijn echter genetische effecten die niet of nauwelijks worden doorgegeven aan de nakomelingen. Het effect van heterosis neemt daardoor bij elke generatie af, waardoor fokkerijen steeds opnieuw zuivere rassen (lijnen) met elkaar kruisen om hybriden met het maximale heterosis effect en daarmee de hoogste eierproductie te krijgen. Het gevolg van deze zeer hoge eierproductie is dat hybriden veel sneller “versleten” zijn, omdat het erg veel van de kip vraagt; ze gaan brozere eieren leggen en krijgen een slechter verenpak.

Overgrootouder, grootouders en ouders

Zoals eerder genoemd zijn de leghennen hybriden van zuivere rassen. Deze zuivere lijnen van rassen zijn in feite de overgrootouders en grootouders. Stel dat er 2 verschillende zuivere lijnen (A en B) worden gekruist tot hybriden. De overgrootouders, grootouders en ouders zijn dan de zuivere lijnen A en B (figuur 1). Wanneer de ouderdieren worden gekruist, ontstaat er een hybride, namelijk AB. Deze hybride van de zuivere lijnen A en B is de uiteindelijke leghen. Er zijn in de wereld slechts drie grote spelers die deze zuivere lijnen in handen hebben en deze kruisen tot hybriden. Zo zijn de twee grootste het Nederlands Hendrix Genetics (Isa, Babcock, Shaver, Hisex, Bovans en DeKalb lijnen) en de Duitse EW group (Lohmann, Hy-line en H&N lijn). Als derde speler is er de Franse groupe Grimaud (Novogen lijn). Deze spelers beheersen over het algemeen ook de fokbedrijven voor het leveren van de uiteindelijke ouderdieren. De hybriden hebben namen als DeKalb wit (witte leghennen) en Isa bruin (bruine leghennen).

Schema van het kruisen van zuivere lijnen tot hybride leghennen

[Figuur 1]. Het tot stand komen van een hybride leghen uit zuivere lijnen.

Vermeerderen

Op zogenoemde vermeerderingsbedrijven, waarvan er in Nederland zo’n 40 zijn, worden de ouderdieren bij elkaar gezet om bevruchte eieren te leggen. Meestal is er 1 haan op 8 hennen aanwezig. Ook hier bij de vermeerderingsbedrijven wordt de keten beheerst door een aantal grote spelers. Zo heeft ISACOM (onderdeel van Hendrix) 10 vermeerderingsbedrijven en krijgen ze de ouderdieren van ISA, de leghennentak van Hendrix Genetics.

Dubben

Van de hanen van witte rassen wordt de kam onverdoofd afgeknipt wanneer ze nog een kuiken zijn. Dit wordt het dubben van de kam genoemd. Er is namelijk een positieve correlatie tussen kamgrootte en eierproductie en eiergewicht. Dit houdt in dat dieren met kleinere kammen minder en kleinere eieren leggen. Oftewel, de enorme kammen zijn een toevallige bijkomstigheid van het selectief fokken op maximale eierproductie. Bij bruine rassen is de kam veel kleiner en speelt dit niet. Het dubben van kammen van hanen van bruine rassen is daarom sinds 2015 ook wettelijk verboden. Bij hanen van witte rassen kan de kam echter zo groot worden dat deze voor de ogen gaat hangen en ze fysiek gehinderd worden om te paren en zelfs om te eten. Ook wordt het dubben van de kam gebruikt om seksefouten te kunnen opsporen. Ook al is er geen sprake van ernstig ongerief tijdens het knippen van de kammen volgens onderzoek van de WUR uit 2011, “mild” ongerief kan echter niet worden uitgesloten aangezien er alleen naar uitwendig waarneembare parameters werd gekeken.

Haan met gedubde kam

Broederij

De bevruchte eieren, de zogenaamde broedeieren, gaan vervolgens naar een broederij, waar ze kunstmatig uitgebroed worden in een broedmachine. Kuikens komen ergens tussen de 19 en 22 dagen uit hun ei, maar vanwege economische efficiëntie wordt de broedmachine maar 1 keer geopend en geleegd. Dit gebeurt meestal op dag 21, want dan zijn de meeste eieren uitgekomen. De kuikens worden vervolgens meteen gesekst; het proces waarbij de hennetjes en haantjes gescheiden worden. De haantjes worden direct vergast of levend vermalen. Ze zijn namelijk economisch gezien nutteloos, want haantjes leggen geen eieren. Ook zijn ze niet geschikt voor de vleesproductie aangezien ze niet snel genoeg groeien. Op jaarbasis zijn dit circa 45 miljoen “nutteloze” haantjes. Bij de hennetjes wordt vaak meteen de snavelpunt weggebrand met infraroodstraling om verenpikken tegen te gaan. Dit is een erg gevoelige en pijnlijke ingreep aangezien hier veel zenuwen eindigen. De pasgeboren kuikentjes krijgen ook al hun eerste vaccinaties. Vervolgens gaan de zogenaamde eendagskuikens op transport naar het opfokbedrijf. De naam eendagskuiken is eigenlijk onjuist, want sommige kuikens zijn al twee dagen oud als de broedmachine geleegd wordt. De uitgekomen kuikens hebben nog genoeg voedingsstoffen in hun eierdooier voor ongeveer 72 uur, maar ze krijgen pas voor het eerst eten nadat ze getransporteerd zijn naar het opfokbedrijf. Dit duurt 32 tot 48 uur na het legen van de broedmachine. Hierdoor kan het voorkomen dat kuikens die als eerste uit het ei zijn gekomen pas na 96 uur voedsel krijgen en dus een dag “honger lijden.”

Klaargestoomd om te leggen

De eerste 16-18 weken leven de kippen in een zogenoemd opfokbedrijf. Hier krijgen ze de meeste inentingen tegen veelvoorkomende ziektes. In totaal krijgen ze ruim 20 keer een vaccinatie tegen ongeveer 14 verschillende ziektes. Alleen de inenting tegen Newcastle Disease (NCD) is wettelijk verplicht. Ook biologische leghennen krijgen deze vaccinaties. Aangezien leghennen steeds meer eieren leggen, worden de vaccinatiekosten per ei lager en is er een tendens tot meer vaccinaties. Na deze opfokperiode gaan de leghennen naar verrijkte kooien of een scharrelstal en beginnen ze vanaf 19 weken met het leggen van eieren.

Eierproductie

Een stal wordt meestal gevuld met één legkoppel, wat eigenlijk een groep hennen is van dezelfde leeftijd die in één keer van een opfokbedrijf worden gekocht. Op die manier kan in één keer een lege stal gevuld worden en kan de stal ook in één keer geleegd worden wanneer de leghennen niet meer genoeg eieren leggen en afgevoerd worden naar het slachthuis. Dit maakt het namelijk mogelijk dat de stal grondig gereinigd en ontsmet kan worden, wat noodzakelijk is in verband met de vele ziektekiemen die in de stal aanwezig zijn. Na de schoonmaak kan een nieuw legkoppel in de stal. Tijdens hun piekperiode van 25 tot 39 weken oud leggen hennen 6 tot 7 eieren per week. Door selectief fokken en met kunstmatig licht de daglengte te verlengen, blijven leghennen het hele jaar door leggen. De lengte van de lichtperiode is 14-16 uur en de lengte van de donkere periode (“nacht”) 8 tot 10 uur. Een donkere aaneengesloten periode van minimaal 8 uur is overigens wettelijk verplicht. Na ongeveer 50 weken leggen neemt de uitval toe (leghennen worden ziek of sterven) als gevolg van slijtage, verminderde weerstand en/of uitputting en kan oplopen tot 8%. Na 60 tot 70 weken neemt eveneens de eierproductie af en worden de hennen in de meeste gevallen afgevoerd naar het slachthuis, omdat ze economisch niet meer rendabel zijn. Heel soms worden de hennen nog gehouden voor een tweede legronde. Normaal gesproken ruien (het vervangen van (versleten) veren) kippen spontaan elk jaar en dit proces kan maanden duren. Door selectief fokken en de onnatuurlijke omstandigheden in de stallen wordt de tijd voordat het ruiproces optreedt, opgerekt van een jaar naar meer dan anderhalf jaar. Voor een tweede legronde moeten leghennen dus eerst ruien voordat ze weer eieren gaan leggen. Om dit proces uniform en snel te laten verlopen, wordt door de leghenhouder de rui geforceerd door ze 3 tot 7 weken weinig licht en minder en/of schraler eten te geven. De tweede legronde is overigens korter dan de eerste en ze leggen dan 10-30% minder eieren dan in de eerste legronde. Vandaar dat in de praktijk de leghennen zelden voor een tweede legronde worden aangehouden. Voor het Beter Leven keurmerk is geforceerd ruien bijvoorbeeld niet toegestaan. Leghennen worden slechts zo’n 19-21 maand oud of hooguit 31 bij een tweede legronde. In die tijd hebben ze dan ruim 300 eieren gelegd. Dit aantal wordt nog steeds verder opgeschroefd. Zo verwacht Hendrix Genetics dat 500 eieren per leghen mogelijk moet zijn in 2020.[24] Ter vergelijking, in de natuur leggen kippen zo’n 10-20 eieren per jaar (fig. 2). Door selectief fokken en het verlengen van de dagen door middel van kunstlicht is dit aantal enorm verhoogd. Zo legden kippen aan het eind van de 19e eeuw 80-85 eieren per jaar en in 1930 was dat aantal al 116. Inmiddels is dat dus ongeveer drie keer zoveel. ISA heeft al een hen gefokt die 577 eieren legde in 588 dagen.[24]

Grafiek van het aantal eieren per hen per jaar door de tijd

[Figuur 2. Aantal eieren per hen per jaar door in de tijd.] Ook de productieve leeftijd wordt nog verder opgerekt. De verwachting is dat binnen 10 jaar leghennen honderd weken gehouden kunnen worden, oftewel bijna 2 jaar voordat ze “afgeschreven” zijn. Tussen de verschillende stalsystemen zit overigens geen verschil in de "houdbaarheid" van de hennen. Ook biologische, Kipster- of Rondeel-hennen worden niet ouder dan ruim anderhalf jaar. Hoe oud kippen normaal gesproken kunnen worden, ligt erg aan het ras. Hybriden worden vaak niet ouder dan 3 jaar, terwijl er rassen zijn die wel 20 jaar kunnen worden. De meeste raskippen worden rond de 10 jaar (fig. 3).

Grafiek van de maximale leeftijd van hybride leghennen versus raskippen

[Figuur 3. Maximale leeftijd van een hybride, een leghen (hybride) in de bio-industrie en een “normale” raskip.] Aangezien de leghennen helemaal “op” zijn wanneer ze worden gevangen en afgevoerd naar het slachthuis, zijn ze alleen nog maar geschikt voor zogenoemde laagwaardige toepassingen. Met andere woorden, ze belanden in de soep, in kipnuggets of in diervoer.

Kippenvangen

Het vangen van leghennen brengt grote welzijnsproblemen met zich mee. Leghennen zijn overdag snelle en actieve dieren, die zich niet makkelijk laten vangen in stalsystemen waar ze vrij kunnen rondlopen zoals een scharrelstal. Bovendien zou dit veel stress opleveren en kunnen de hennen door het tegen elkaar en objecten aan te vliegen en rennen gewond en “beschadigd” raken, waarna ze officieel niet getransporteerd mogen worden. De leghennen worden daarom doorgaans in het donker gevangen, wanneer ze op stok zitten en slapen. Er wordt dan vaak gebruikgemaakt van blauw licht om de hennen niet wakker te maken. Desondanks zullen er altijd hennen wakker worden en gaan lopen, waardoor ze lastig te vangen zijn en wat veel onrust geeft. Het vangen van de leghennen gebeurt handmatig. Meestal wordt er gebruikgemaakt van “vangploegen” van gespecialiseerde bedrijven (pluimveeservicebedrijven). Vaak zijn deze bedrijven wel gecertificeerd, maar dierenwelzijnstraining maakt daar geen onderdeel van uit. Het percentage letsel tijdens het vangen ligt dan ook hoger bij vangploegen dan wanneer gewerkt wordt met “eigen” mensen (pluimveehouder, buren etc.). Andere oorzaken voor dit hogere percentage zijn: tijdsdruk, het routinematig werken en er minder van bewust zijn dat er met levende dieren gewerkt wordt (afstomping). Ook het feit dat uitgelegde hennen nauwelijks meer economische waarde hebben (een leghen brengt momenteel nog geen 50 cent op) zorgt ervoor dat er niet bepaald zorgvuldig met de hennen wordt omgesprongen. Kippen worden bij hun poten gepakt en hangen ondersteboven bungelend aan de hand van de vanger. Vaak gaat een vanger door tot hij 3 of 4 kippen per hand vast heeft. Bij het pakken van een volgende kip stoot de kip die al in de hand hangt regelmatig tegen de vloer of hokinrichting. Als ze worden afgevoerd zijn de leghennen helemaal op, ze hebben weinig veren en spieren en broze botten (botontkalking) door de enorme calciumvraag tijdens het leggen. Tijdens het vangen lopen ze daardoor snel letsel op, met name aan de poten en vleugels. Vervolgens worden de kippen letterlijk in plastic kratten gepropt; vaak meerdere tegelijkertijd en hardhandig en snel om te voorkomen dat de kippen die al in het krat zitten er weer uitspringen. Eén krat bevat 10-15 hennen die slechts de ruimte hebben van nog geen half A4’tje. Hennen wegen gemiddeld 1,7-1,9 kg en hebben wettelijk gezien recht op slechts 160 cm2/kg kip.[27] Het hele proces van vangen duurt gemiddeld 2,8 uur.

Leghennen gevangen en in kratten gepropt voor transport

Transport

De hennen worden in kratten geduwd en gaan op transport naar het slachthuis. Aangezien de hennen weinig veren en spierweefsel meer hebben wanneer ze zijn uitgelegd, zijn ze erg gevoelig voor koude stress tijdens transport. Zo heeft onderzoek van de WUR aangetoond dat in de winterperiode de leghennen tijdens transport een derde van de tijd zich buiten de comfortzone van 10-25°C bevonden. Tevens ervoeren de hennen zeer grote temperatuurschommelingen; binnen een tijdsbestek van enkele uren kon de temperatuur oplopen van rond het vriespunt (tijdens het vervoer) naar 30°C (tijdens de wachttijd in de slachterij). In datzelfde onderzoek duurde het gemiddelde vervoer maar liefst 10 uur (binnen Nederland). Van deze tijd werd er maar een klein deel daadwerkelijk gereden (gemiddeld 2 uur) en stonden de vrachtwagens vooral lange tijd stil in de ontvangstruimte van de slachterij (gemiddeld 8 uur). De vervoersduur kan echter makkelijk langer dan 12 uur zijn, wanneer er later op de dag geslacht wordt. Aangezien de hennen ook al geruime tijd nuchter (zonder eten) in de stal hebben gezeten, zitten ze dus een lange tijd zonder voedsel en water. Gemiddeld zaten de onderzochte hennen maar liefst 18 uur zonder voedsel. In Nederland zijn er maar 2 slachterijen waar leghennen worden geslacht. Een groot deel van de hennen gaat daarom naar het buitenland, voornamelijk Polen, waar ze goedkoop geslacht kunnen worden. In 2015 gingen er volgens de NVWA 5,5 miljoen leghennen op transport naar Polen, wat ongeveer een kwart is van de totale hoeveelheid hennen die geslacht worden per jaar. Zo’n 2,5 miljoen leghennen gingen naar landen als België, Duitsland en Frankrijk. In totaal ging 14% van afgevoerde kippen naar slachthuizen met een transporttijd van meer dan 4 uur. Hanen uit de leghenketen (bijvoorbeeld ouderdieren) gaan sowieso naar het buitenland, aangezien er in Nederland geen slachthuis is dat deze hanen slacht vanwege hun grootte. Transporttijden zullen dus regelmatig veel hoger liggen dan de eerder genoemde tijden voor transport binnen Nederland. Wettelijk is er geen maximale transporttijd vastgelegd. Wel moeten hennen die langer dan 12 uur vervoerd worden, voorzien worden van water en voedsel. Echter, doordat de kratten op- en naast elkaar gestapeld zijn, is dit in de praktijk zo goed als onmogelijk. De binnenste kratten zijn bijvoorbeeld niet bereikbaar. Ook is hier nauwelijks controle op, aangezien dit in het buitenland plaatsvindt. Wettelijk gezien is een letsel van 2% en een sterfte van 0,5% toegestaan voor het vangen en het transport van de uitgelegde hennen. Dit komt theoretisch erop neer dat per jaar 0,5 miljoen hennen gewond en 130.000 hennen dood mogen aankomen bij het slachthuis. Het NVWA voert (beperkte) inspecties uit op vangletsel en letsel en sterfte tijdens transport en heeft bijvoorbeeld in de eerste helft van 2017 al 112 keer een boete uitgedeeld voor het overschrijden van de wettelijk vastgelegde tolerantiegrenzen.[29] De inspectie houdt echter op bij de grens.

Kratten met leghennen op een transportwagen

Gestoord gedrag, uitval en ziekten

Hoofdstuk 3 / 4

Verenpikken

Kippen in de moderne veehouderij vertonen vaak abnormaal gedrag als gevolg van stress en waarschijnlijk door het opgroeien zonder moeder.

Zo is “zacht verenpikken” natuurlijk sociaal gedrag van kippen, maar het zachte verenpikken kan doorslaan naar intensiever pikken en dat kan leiden tot het beschadigen en uittrekken van veren. Hierdoor ontstaan kale plekken, het pikken gaat door op de huid van de kip (kannibalistisch pikken) en veroorzaakt wonden. Bloed zorgt voor nog intensiever pikken en kan overgaan in kannibalisme. Dit is het laatste stadium van verenpikken en heeft vaak de dood tot gevolg. Onder verenpikken wordt vaak ook verstaan het pikken naar kammen, lellen, poten en de cloaca (de darm, urine en eieruitgang). Overigens heeft dit intensieve verenpikken niets te maken met de “pikorde”, want daar wordt specifiek naar de kop of nek gepikt en dit leidt zelden tot het verlies van veren. In de natuur komt dit verenpikken niet voor, maar ook wilde kippen vertonen verenpikken wanneer ze in gevangenschap worden gehouden, waarmee de hoofdoorzaak stress lijkt te zijn.

Verenpikken is een lastig en hardnekkig gedragsprobleem dat grote welzijnsproblemen veroorzaakt. Met name wanneer kippen loslopen in groepen en de snavels niet geknipt zijn, is dit een probleem. Bij loslopende kippen kan het verenpikken minder goed door de boer in de gaten worden gehouden. Daarnaast richten niet gekapte snavels meer schade aan dan gekapte snavels.

Verenpikken wordt beïnvloed door verschillende factoren. De belangrijkste factoren zijn de opvoeding van kuikens door de moeder en stress bij de moeder, de rol van eet- en foerageergedrag bij jonge en volwassen dieren en de rol van stress en angst in het algemeen. Ook genetische aspecten spelen hierin een rol. Helaas is veel onderzoek naar het voorkomen van verenpikken vooral gericht op de economische schade van verenpikken en veel minder op het welzijn van de hen.

Zoals we hebben gezien, groeien kuikens op zonder moeder. Ze komen uit het ei in een broedmachine en groeien daarna op met andere kuikens. Ook al zijn kippen al heel snel zelfstandig wanneer ze uit het ei komen, hun moeder leert hen waar ze naar moeten pikken, wanneer ze moeten rusten en hoe ze zich moeten gedragen. Het ontbreken van een moeder in de moderne leghenhouderij speelt zeer waarschijnlijk een grote en onderschatte rol in hoe kuikens en kippen zich gedragen ten opzichte van elkaar en het vermogen om normaal/natuurlijk gedrag te kunnen vertonen.

Strooisel en ander afleidingsmateriaal helpt om verenpikken te verminderen, maar is niet afdoende. Kippen van bijvoorbeeld biologische boeren, die naast strooisel ook een vrije uitloop naar buiten hebben, vertonen toch verenpikken.

Kippen pikken meer agressief naar onbekende kippen dan naar bekende kippen. Echter, bij groepen die groot genoeg zijn, neemt het pikken vaak ook weer af. Dit komt waarschijnlijk doordat er zoveel onbekende kippen zijn, dat het ondoenlijk is om alle “concurrenten” weg te jagen.

Jaarlijks worden van zo’n 54 miljoen kippen de snavel verkort (gebrand) om verwondingen als gevolg van pikken tegen te gaan. Sinds 2015 mag het verkorten alleen gebeuren met infraroodstraling, waarbij zoveel hitte wordt gegenereerd dat het snavelweefsel binnen een paar weken afsterft en het snavelpuntje eraf valt. Vanaf 2018 wordt het verkorten van de snavel wettelijk verboden.

Leghen met verkorte snavel als gevolg van snavelkappen

In verband met het verbod op snavelkappen wordt er al langere tijd onderzoek gedaan naar selectief fokken op minder agressie en naar andere staltypen met meer ruimte om snavelpikken te voorkomen. Echter, snavelpikken blijft tot nu toe welzijnsprobleem nummer 1 bij leghennen. In 2006 werd er onderzoek gedaan bij 29 verschillende biologische bedrijven en was de situatie nogal alarmierend te noemen. Onderzoek uit 2017 laat zien dat er nog steeds veel onbekend is met betrekking tot verenpikken en vooral het voorkomen hiervan. De vraag is dus of met het verbod op snavelkappen niet het ene welzijnsprobleem wordt opgelost, en het andere welzijnsprobleem wordt verergerd.

Uitval en ziektes

Toen boeren net begonnen met het op grote schaal houden van leghennen, steeg het percentage dieren dat vroegtijdig overleed (uitval) van 5-6% naar maar liefst 20%. Dit had met name te maken met het aantal ziektes die toenamen door het dicht op elkaar houden van zoveel hennen. Alleen door allerlei (kunst)ingrepen, zoals bijvoorbeeld vaccineren, kon de uitval weer naar beneden worden gebracht. Ook het houden van hennen in kooien (legbatterijen) kwam hieruit voort; er was nu veel minder contact met soortgenoten en de kippen werden gescheiden van hun eigen uitwerpselen. Nu de legbatterijen zijn afgeschaft, komen sommige van deze problemen weer terug. Zo is geconstateerd dat bij stalsystemen waarbij leghennen niet meer in kooien zitten, juist meer (oude) ziektes voorkomen, waarschijnlijk doordat kippen meer contact hebben met soortgenoten en met hun eigen uitwerpselen waar veel ziektekiemen in zitten.

Over het algemeen volgt het uitvalpercentage gedurende de legperiode een duidelijke trend. De periode wanneer een koppel leghennen in een stal wordt geplaatst, is zeer stressvol. Zo kunnen kippen elkaar dooddrukken, gaan ze verenpikken of sterven ze langzaam omdat ze het water en/of voedsel niet kunnen vinden in de nieuwe stal. Nadat de kippen gewend zijn aan de nieuwe omgeving, is de uitval van 30 tot 50 weken vrijwel stabiel en relatief laag (tot ongeveer 2%). Na 50 weken neemt de uitval echter weer toe tot ongeveer 8%, vooral omdat de hennen dan eigenlijk al “versleten” zijn en de weerstand afneemt.

Verzwakte leghennen in een stalsysteem

Er kan onderscheid gemaakt worden tussen “natuurlijke” dood en dood door ziekte. Natuurlijke dood heeft overigens vaak te maken met het leggen van eieren. Uit een recent Amerikaans onderzoek bleek dat 26,6% van de “natuurlijk” gestorven leghennen was gestorven aan “Egg Yolk Peritonitis” (EYP). De eileider is een soort trechter die de eicel opvangt wanneer deze vrijkomt uit de eierstok. Bij legkippen kan dit regelmatig of zelfs permanent misgaan, waardoor de eicel in de buikholte terechtkomt in plaats van in de eileider. De niet ontwikkelde eieren kunnen hier ophopen en ontsteken en uiteindelijk tot de dood leiden.

Kippen kunnen een heel scala aan ziektes en parasieten krijgen. Deels komt dit door de verminderde weerstand die de kippen hebben als gevolg van selectief fokken op maximale eierproductie, wat ten koste gaat van het immuunsysteem. Ook staan de kippen veelvuldig bloot aan stress, wat ook zorgt voor een verminderde weerstand. Anderzijds zijn leghennenstallen ideale broedplaatsen voor ziektes door de vele dieren die bij elkaar zitten, de zo goed als constante en relatief hoge temperatuur het hele jaar door, vochtige en donkere plekken en contact met eigen uitwerpselen (mest).

Bloedluis of vogelmijt

Inmiddels bekend en berucht vanwege het fipronil schandaal, waarbij ruim 2,5 miljoen gezonde kippen zijn geruimd, is de bloedluis. De bloedluis is eigenlijk een verkeerde naam, want de “luis” is namelijk een mijt; de vogelmijt. Dit is de meest voorkomende parasiet bij leghennen in Europa. In Nederland is 94% van de pluimveebedrijven besmet met de mijt en op één kip kunnen wel 50.000 tot 500.000 mijten voorkomen. De vogelmijt kan daarbij ook nog eens virussen en bacteriën verspreiden.

De hennen raken gestrest door de jeuk die de mijt veroorzaakt, pikken naar de mijten en beschadigen hun eigen verenkleed. Door de jeuk en stress neemt ook agressief gedrag toe, wat het verenpikken verergert. Uiteindelijk kunnen de hennen sterven als gevolg van bloedverlies en/of verenpikken. Ook worden er minder eieren en eieren van een slechtere kwaliteit gelegd.

Leghen aangetast door vogelmijt

De financiële schade als gevolg van de vogelmijt wordt door de WUR geschat op meer dan € 130 miljoen per jaar in Europa.De vogelmijtproblematiek is echter inherent aan de huidige manier van kippen houden. De problematiek bestaat al sinds men kippen professioneel houdt en is de afgelopen decennia alleen maar toegenomen. Vooral de afwezigheid van seizoenen en het constante stalklimaat in het algemeen zijn de belangrijkste factoren voor de aanwezigheid van grote aantallen mijten.

De vogelmijt gedijt dus erg goed onder de zeer onnatuurlijke omstandigheden waarin leghennen worden gehouden.

E.coli

Een infectie met de bacterie Escherichia coli (E. coli) is een van de belangrijkste oorzaken van uitval [source title="21"]. Meestal betreft het een specifiek type E. coli, ook wel aangeduid als APEC (Avian Pathogenic E. coli), en wordt deze ziekte colibacillose genoemd.

De infectie komt vaak voor als zogenoemde secundaire infectie. Dit betekent dat de weerstand van de hen al laag is door een andere oorzaak, zoals bijvoorbeeld bloedmijt of verenpikken, en vervolgens krijgt de normaal gesproken “onschuldige” darmbacterie de kans om flink te groeien en andere lichaamsdelen te infecteren. Ook zorgen bijvoorbeeld te hoge ammoniakconcentraties, overbezetting of virale infecties voor verzwakking van het ademhalingsepitheel en maken de weg vrij voor kolonisatie door een APEC.De grootste risicofactoren voor een infectie zijn: temperatuur in de stal, de hoeveelheid kippen per vierkante meter en de kwaliteit van het drinkwater.

E. coli groeit het liefst bij een temperatuur van 18-44°C en het stalklimaat is daarom ideaal met een constante temperatuur van ongeveer 20°C.

Hoe meer leghennen in de stal, hoe groter de kans op infecties. Een toename van het stalvolume met 1 liter per hen zorgt al voor een 33% lager risico op colibacillose.

Zieke leghennen in een overvolle stal

Vogelgriep

Vogelgriep is waarschijnlijk voor de meeste mensen de bekendste kippenziekte omdat dit regelmatig in het nieuws is vanwege de vele ruimingen. Vogelgriep kent twee varianten, de milde variant (laagpathogeen) en de gevaarlijke variant (hoogpathogeen). Deze laatste wordt ook wel vogelpest genoemd. Dieren die de milde variant hebben, vertonen nauwelijks ziekteverschijnselen. Toch worden ook deze leghennen geruimd, omdat de milde variant over kan gaan naar de gevaarlijke vorm. In zeldzame gevallen kunnen bepaalde typen vogelgriep ook mensen besmetten.

In 2003 werd maar liefst een derde van de hele pluimveestapel vernietigd in verband met vogelgriep. Dertig miljoen dieren werden met stroomstoten of door vergassing omgebracht. Het betrof destijds de H7N7-variant, waar ook 89 mensen mee werden besmet. Een van hen overleefde dat niet. In 2016 zijn meer dan 1 miljoen leghennen geruimd vanwege een H5N8-variant om verspreiding naar andere bedrijven tegen te gaan. In dat jaar vond de langste ophokplicht (kippen verplicht binnenhouden) ooit in Nederland plaats, namelijk 5 maanden. Er was geen besmetting naar mensen toe bij deze variant.

In december 2017 is er opnieuw vogelgriep vastgesteld op een vleeseendenbedrijf en worden 16.000 eenden “geruimd”. Omdat het vermoedelijk een hoogpathogene H5-variant betreft, is er een landelijke ophokplicht uitgeroepen.

Pluimvee met een vrije uitloop heeft een verhoogd risico om vogelgriep op te lopen. Vaak worden wilde (trek)vogels zoals eenden en ganzen als schuldigen aangewezen en zouden zij de ziekte overbrengen naar de leghennen. Onderzoek uit 2014 laat echter het tegendeel zien; trekvogels brengen het virus niet het land in, maar lopen het juist hier op.

Intensief (internationaal) transport van dieren en dierproducten is een veel waarschijnlijkere verspreidingsroute van het virus.

Vaccinatie tegen vogelgriep is mogelijk, maar wordt vooral om economische redenen niet gedaan. Het is lastig, kostbaar en ons belangrijkste exportland, Duitsland, wil geen producten van gevaccineerde dieren.

Ook bij deze ziekte zorgen de onnatuurlijke omstandigheden waaronder de kippen worden gehouden ervoor dat het virus goed kan gedijen; een combinatie van lage weerstand, een hoge dichtheid aan kippen en een ideaal stalklimaat voor het virus (vochtig, donker, warm).

Borstbeen afwijkingen

Afwijkingen aan het borstbeen zijn een van de belangrijkste welzijnsproblemen in de moderne leghenhouderij.

Een Vlaams onderzoek uit 2015 liet zien dat na 60 weken 60% van de leghennen in volière-stallen een borstbeenafwijking had. Uit onderzoek van het Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek (ILVO) in 47 Belgische volière-stallen bleek dat maar liefst 82,5% van de hennen aan het einde van de productieronde één of enkele breuken had opgelopen. Bij grondhuisvesting lag dit percentage op 58% en bij verrijkte kooien op 62%. Het ILVO-onderzoek liet ook zien dat 59,8% van de onderzochte hennen een kromming (afwijking) van het borstbeen had. Afwijkingen worden met name veroorzaakt door de vorm en het materiaal van zitstokken; harde, onbuigzame materialen leveren meer deformaties van het borstbeen op dan zachtere/buigzame materialen. Wanneer een hen op een zitstok zit, steunt namelijk twee derde van haar gewicht op het borstbeen.

Breuken en herstelde breuken hebben een grote invloed op het welzijn van de hennen. Zo bleek dat hennen met herstelde breuken chronisch pijn lijden.. Daarnaast verminderen (herstelde) breuken de mobiliteit van de hen en hebben ook een negatieve invloed op de eierproductie..

Botontkalking

Bontontkalking oftewel osteoporose is naast te weinig beweging een van de belangrijkste oorzaken van zwakke botten en botbreuken. Het leggen van grote hoeveelheden eieren vraagt enorm veel van een leghen. Zo is er voor de eieren die een hen legt tijdens een legperiode 20-30 keer zoveel calcium nodig als de hen kan opslaan in haar lichaam. Doordat er calcium voor de eierschaal aan de botten wordt onttrokken, worden botten brozer. Ze kunnen met name richting het einde van de legronde sneller breken, wat erg pijnlijk is. In kooien, waar de leghennen bij gebrek aan bewegingsvrijheid meer last van botontkalking hebben, werd geschat dat 80 tot 89% van de leghennen aan osteoporose leed. Tevens werd geschat dat 13 tot 35% van de uitval in kooien werd veroorzaakt door botontkalking. In scharrelstallen, waar de totale uitval hoger ligt, is het aandeel van de uitval door botontkalking lager.

Leghen met botontkalking door calciumtekort

In een recent Amerikaans onderzoek bleek dat van de ‘natuurlijk’ gestorven leghennen, maar liefst 16,8 % was gestorven door hypocalciëmie. Hypocalciëmie is een te laag gehalte aan calcium in het bloed, omdat al het calcium naar het maken van het ei is gegaan. Door dit te lage gehalte kunnen spieren gaan verkrampen en sterven de kippen door verstikking.

Voetproblemen

Ook problemen aan de voeten/voetzolen komen veel voor (hyperkeratose, voetzooldermatitis en “bumble foot”). Belangrijke factoren voor het veroorzaken van deze problemen zijn: het staltype, nat strooisel, zitstok- en vloermateriaal, zitstokgedrag en slechte poothygiëne.

Hyperkeratose is een sterke verhoorning van de huid van de voeten. Voetzooldermatitis is een onderhuidse ontsteking van de voetzool wat kan leiden tot dood weefsel en zweren. In erge gevallen kan dit overgaan tot bolvormige laesies en zwelling; de zogenaamde “Bumble foot”, wat een erg pijnlijke aandoening is. “Bumble foot” komt met name voor in systemen met (harde) zitstokken. Een ondergrond met slechte hygiëne zoals nat strooisel of mest vergroot de kans op het “bumble foot” syndroom. Dit is vaker het geval bij scharrelstallen met een harde ondergrond en een vrije uitloop met weinig begroeiing.In een onderzoek bij 47 bedrijven in België kreeg maar liefst 71% van de leghennen te maken met voetproblemen in een periode van 60 weken. Hyperkeratose was het meest voorkomend met 42%.

Cloaca prolaps

Tijdens het leggen van een ei wordt het laatste deel van de legdarm binnenstebuiten gekeerd en komt tijdelijk buiten het lichaam, zodat er een schoon ei gelegd kan worden. Soms gaat de legdarm echter niet goed terug en blijft uit de cloaca hangen. Dit komt vooral voor bij oudere dieren, waarbij de spieren die zorgen voor de terugtrekking versleten zijn door het vele eierleggen.

Een opvallende cloaca is bovendien aantrekkelijk voor andere kippen om naar te pikken en zo gaat het van kwaad tot erger.

Leghen met cloacaprolaps

Vrijheid, blijheid?

Hoofdstuk 4 / 4

Verschillende stalsystemen en dierenwelzijn

Er zijn verschillende manieren om kippen te houden. De eieren die de hennen hebben gelegd, zijn voorzien van codes en de doosjes bovendien vaak van een keurmerk om aan te geven hoe de kippen zijn gehouden en aan welke welzijnscriteria er is voldaan. Op de eieren zelf moet altijd een stempel staan van getallen en letters. Het eerste cijfer is de zogenoemde eiercode. Deze code is een cijfer van 0 tot 3 en zegt iets over de huisvesting van de leghennen.

  • Code 0 = biologische eieren
  • Code 1 = vrije uitloop- of graseieren
  • Code 2 = scharreleieren
  • Code 3 = kooi-eieren

Kooisystemen

Weliswaar zijn legbatterijen verboden, maar er mag nog wel gebruik worden gemaakt van zogenoemde “verrijkte kooien”. Hierin kunnen hennen nog steeds hun vleugels niet spreiden. Het minimale oppervlak per hen is 750 cm2; dit is 1,2 keer een A4'tje, maar iets meer dan in de traditionele legbatterij, waar de hennen 0,9 keer een A4'tje hadden. De kooien worden bestempeld als “klein” wanneer ze tot 15 hennen bevatten en als “groot” wanneer ze 15 tot 60 hennen bevatten. De oppervlakte per hen blijft hetzelfde bij kleine en grote kooien. Kooien hebben een bodem van gaas, zodat de mest erdoor kan en onder de kooi kan worden opgevangen. Ten opzichte van de traditionele legbatterij bevat de kooi enkele extra voorzieningen (verrijkingen) zoals een zitstok, legnest en een plek met strooisel. De verrijkte kooi wordt op de langere termijn ook verboden, maar het verbod is inmiddels al uitgesteld van 2017 naar 2021.

Leghennen in een kooisysteem

De andere vorm van een kooisysteem is de zogenoemde koloniehuisvestiging, waarbij er 30 tot 60 kippen in een grote kooi zitten met een oppervlakte van ten minste 2,5 m2. Hierbij hebben de kippen een minimaal oppervlak van 900 cm2; 1,4 keer een A4’tje. Dit type wordt ook wel “klein-volière” genoemd en bevat verder dezelfde “verrijkingen” als de verrijkte kooi.

Scharrelsystemen

In een scharrelstal kunnen hennen zich vrij bewegen en zijn er in de stal op verschillende plaatsen voer- en drinkplaatsen ingericht. De vloer bestaat vaak deels uit een roostervloer en een dichte vloer (minimaal één derde van het totale oppervlakte) en plekken met strooisel om te scharrelen. Verder zijn legnesten voor het leggen van eieren en zitstokken aanwezig. In de stal kunnen alle voorzieningen gelijkvloers zijn (grondhuisvesting), of ondergebracht op vrij toegankelijke etages (volière-stallen). Door middel van meerdere etages kunnen op hetzelfde staloppervlakte meer leghennen gehouden worden. Leghennen hebben in scharrelstallen minimaal 1111 cm2 tot hun beschikking aan vrije vloer oftewel nog geen 2 A4’tjes. De scharrelhennen hebben geen vrije uitloop naar buiten en zitten dus meestal hun hele leven binnen zonder daglicht.

Leghennen in een scharrelstalsysteem

Meer vrijheid voor een hen heeft in algemene zin een positief effect op het welzijn van de kip. Zo kunnen ze meer foerageren en op ontdekking gaan wat stressverlagend werkt. Meer beweging betekent ook sterkere botten en spieren en daarmee een betere algemene gezondheid ten opzichte van leghennen in kooien die minder kunnen bewegen. Echter, de keerzijde is dat er ook een hogere kans op breuken en andere afwijkingen is door botsingen, vallen e.d.:annotation{:ids="55"}Zo zijn moderne leghennen bijvoorbeeld een stuk zwaarder dan hun voorouders, maar is hun vleugelkracht niet toegenomen. Bovendien zijn kippen typische grondvogels en slechte vliegers. Hierdoor kunnen kippen ongecontroleerd landen, vallen en/of botsen wanneer ze bijvoorbeeld van de ene etage naar de andere etage springen of fladderen. In stallen met meerdere verdiepingen zoals de volière-stal komen deze verwondingen dus vaker voor dan in gelijkvloerse stallen.

Scharrelsysteem met vrije uitloop

Er zijn ook scharrelstallen waarbij er wel een vrije uitloop naar buiten toe is. Systemen met vrije uitloop zijn verder identiek aan het scharrelsysteem met dus de extra mogelijkheid voor de hennen om naar buiten te gaan. Echter, meestal is de uitloop overdekt met een verharde ondergrond (zie ook “keurmerken eieren”). In de uitloop hebben de leghennen 4 m2/hen ter beschikking en moeten ze minimaal 8 uur per dag naar buiten kunnen (enkele uitzonderingen daargelaten zoals extreem weer en ophokplicht). De scharrelstallen met vrije uitloop kunnen onderverdeeld worden in gangbare systemen (de zogenaamde “Freiland kippen”) en biologisch gehouden leghennen. De vrije uitloop wordt zelden volledig benut en lang niet alle kippen maken gebruik van de uitloop. De benutting is sterk afhankelijk van de inrichting, de beschutting en de grootte van het koppel. Zo maken bij grote koppels (10.000 hennen en meer) slechts 3-15% van de hennen gebruik van de uitloop. Bij proeven met hoog olifantengras bleek dat kippen de ruimte van de vrije uitloop veel beter benutten omdat ze meer beschutting hadden en daardoor verder van de stal af durfden te lopen. Om praktische redenen (onderhoud, overzichtelijkheid) zijn vrije uitlopen echter minimaal ingericht.

Leghennen bij een vrije uitloop

Keerzijde vrije uitloop

Een vrije uitloop betekent voor kippen meer kans om gepakt te worden door roofdieren zoals een vos, marter, havik of buizerd. Naar schatting is de uitval als gevolg van predatie ongeveer 4%. Kippen zijn echte bosdieren die beschutting zoeken in dichte struiken en die normaal gesproken vooral door de dominante haan gealarmeerd worden voor gevaar. Dichte struiken zijn niet of spaarzaam aanwezig in een uitloop en zeker niet voldoende voor de grote hoeveelheid hennen die er rondlopen. Bij een onderzoek onder biologisch gehouden kippen bleek dat in 80% van de onderzochte uitlopen de beschutting minder dan 25% was van de totale uitloop. Bomen in de vrije uitloop worden door roofvogels zelfs gebruikt als uitvalsbasis voor aanvallen op kippen. Ook hanen ontbreken op de meeste leghenbedrijven. In het geval dat er wel hanen waren, bleek hun aanwezigheid niet afdoende om te verhinderen dat kippen werden gepakt. De hanen vielen de roofvogel wel aan, maar waren vaak niet op de juiste plek en er was maar 1 haan op minimaal 30 hennen. Ook het welzijn van de roofdieren zelf komt hier in gedrang. Er worden sneller ontheffingen gegeven om vossen dood te schieten in de buurt van pluimveebedrijven. Dit terwijl vrije uitlopen relatief makkelijk “vosbestendig” te maken zijn. Roofvogels daarentegen zijn beschermd en veel lastiger te weren aangezien ze van boven de uitloop invliegen. Er zijn proeven gedaan met lokkippen die stroomstoten geven en lokaas waarin een misselijkmakende stof (lithiumchloride) werd gespoten zodat de roofvogels negatieve associaties met kippen krijgen en ze met rust laten. Alleen de laatste methode leek enigszins effectief, maar is in de praktijk lastig toe te passen.

In onderstaande figuur is schematisch het aandeel van de leghennen in de verschillende stalsystemen in Nederland weergegeven voor 2016.

Grafiek van het aandeel leghennen per huisvestingssysteem in 2016

[Figuur 4]. Aandeel leghennen verspreid over de verschillende huisvestingssystemen in 2016.

Rondeel en Kipster

Twee systemen met “vrije” uitloop worden hier wat uitgebreider besproken aangezien beide beweren het hoogste niveau van dierenwelzijn te hebben en erg veel media-aandacht hebben gehad. Het gaat hier om de stallen van Rondeel en Kipster. De Rondeelstal is een ronde stal gebaseerd op onderzoek van de WUR, waar geprobeerd is om gemak voor de boer, duurzaamheid en welzijn van de kippen te integreren in een flexibel stalontwerp. De stal bestaat uit 6 gescheiden afdelingen met 3.000 (kleine units) of 6.000 (grote units) kippen (maximaal 30.000 leghennen). De units zijn een soort taartpunten die afwisselend een nachtverblijf of een dagverblijf zijn. De dag- en nachtverblijven zijn verbonden met elkaar via oprolbare wanden. Het nachtverblijf en nestgedeelte bestaat uit een volièresysteem met meerdere verdiepingen. Het dagverblijf (scharrelgedeelte) heeft een doorzichtig dak voor natuurlijk lichtinval en heeft kunstgras als ondergrond met daarin bakken voor stofbaden en andere voorzieningen. De buitenste rand om de stal is de vrije uitloop, wat ook wel de bosrand wordt genoemd. Deze uitloop is overdekt en afgegrensd met een hek zodat roofvogels er niet in kunnen.

Rondeelstal met overdekte uitloop voor leghennen

Dit systeem krijgt van de Dierenbescherming 3 sterren van het Beter Leven keurmerk net als biologisch gehouden hennen. De kippen hebben echter wel veel minder uitloopoppervlakte per kip. Eenduidige getallen ontbreken, maar naar schatting is dit ongeveer 0,05 m2 per kip tegenover 4 m2 voor vrije uitloop of biologisch gehouden hennen. Volgens het 3-sterrencriterium van de Dierenbescherming moet er minimaal 216 m2 vrije uitloop beschikbaar zijn voor een koppelgrootte van maximaal 6000 hennen, wat dus neerkomt op minimaal 0,035 m2/hen. Dit is dus meer dan 100 keer zo klein als de uitloop van vrije uitloopkippen. Momenteel zijn er 3 Rondeelstallen in Nederland en twee kleine uitvoeringen (mini- en microstal in respectievelijk Amsterdam en Den Haag). Kipster is mede opgericht door de ex-directeur van Rondeel en vertoont qua inrichting grote gelijkenissen met de Rondeelstal. De stal is dan wel niet rond, maar heeft ook nachtverblijven met een volièresysteem en een centrale lichtdoorlatende binnentuin (scharrelruimte) bedekt met zand/strooisel en met diverse voorzieningen. De vrije uitloop naar buiten wordt ook een bosrand genoemd, is relatief klein en aan alle kanten voorzien van windbreekgaas. De stal is gebouwd voor 24.000 leghennen en momenteel is er 1 stal in Nederland die in 2017 is geopend. Kipster is op 1 punt uniek ten opzichte van andere systemen en dat is dat de haantjes niet meteen gedood worden wanneer ze uit het ei komen, maar 15-17 weken worden opgefokt om vervolgens verwerkt te worden tot haanburger. Momenteel gaan deze haantjes echter naar een opfokstal met de laagst toegestane levensstandaard voor kippen en krijgen de hanen dan ook geen beter-leven-sterren. Volgens Rondeel en Kipster wordt de vrije uitloop bij gangbare systemen maar voor een zeer beperkt deel gebruikt en kan de vrije uitloop daarom veel kleiner. Op de Kipster-website staat daarover: “Volgens de wet hebben we 10 hectare grond nodig om ons ei vrije uitloop te mogen noemen. Volgens de wetenschap en de Dierenbescherming hebben onze kippen dat helemaal niet nodig.” Echter, zoals hierboven reeds beschreven, komt de minimale benutting van de uitloop door de inrichting, beschutting en grootte van de koppel hennen en niet omdat de kip geen behoefte heeft aan minder ruimte. Van nature is hun leefgebied immers enkele tientallen hectare groot. Bovendien wordt hierbij voorbijgegaan aan de oorspronkelijke uitgangspunten van het ontwerp van de Rondeelstal zoals die door de WUR zijn geformuleerd: Een vrije uitloop is belangrijk vanwege de vraag uit de markt. Echter, een uitloop brengt volgens de WUR verschillende (economische) nadelen met zich mee zoals:

  • Een steeds kleiner wordend prijsverschil tussen eieren van vrije uitloopkippen en “standaard” eieren.
  • Gezondheidsrisico’s voor mens en dier. Kippen lopen buiten sneller ziektes op via hun eigen mest en bijvoorbeeld via wilde overvliegende vogels (vogelgriep). Kippen kunnen daarnaast ook giftige stoffen binnenkrijgen, zoals dioxine.
  • Huidige systemen zijn niet erg overzichtelijk voor de boer, zeker niet met een buitenuitloop, waardoor ze de individuele kippen niet goed in de gaten kunnen houden en er een groter risico is dat ze slachtoffers van verenpikken of zieke dieren niet op tijd opmerken.

Tenslotte geeft de WUR aan dat er ook wordt gekeken naar “wat de kip wil”, maar dat bijvoorbeeld niet is aangetoond dat een kip per se buiten moet scharrelen en haar omgeving onderzoeken. Dit zou dus ook binnen kunnen. Deze aspecten waren aanleiding voor het ontwerp van een kleine, overdekte uitloop zoals bij de Rondeel en Kipster stal is toegepast. Welzijn voor de kip was een belangrijk aspect, maar er is een compromis gesloten met economische en gezondheidsfactoren. Dierenwelzijn stond niet bovenaan. Tijdens de evaluatie van de eerste legronde in een Rondeel stal leek de uitval lager dan bij andere systemen (waaronder biologisch), maar borstbeenafwijkingen waren even hoog als bij andere systemen en scoorden gemiddeld 1,73 op een schaal van 0 (goed) tot 2 (slecht). Overige resultaten, zoals verenpikken, waren minder eenduidig omdat er zowel hennen met intacte snavels als hennen met gekapte snavels in de stal waren.

Leghennen in een Kipster- of Rondeelstal

Biologisch beter?

Biologische leghenhouderij lijkt op papier beter (meer ruimte, vrije uitloop, geen snavelkap), maar het uitvalpercentage ligt met 10-15% hoger dan de eerder genoemde 8%. Deels komt dit door het toegenomen aantal infectieziekten. De leghennen leven onder minder gecontroleerde omstandigheden (klimaatverschillen binnen/buiten, meer contact met mogelijke ziektekiemen en parasieten buiten in de grond, mest en lucht etc.) en verenpikken is vaak “verergerd” aangezien de snavels niet gekapt zijn. Biologische kippenhouderij betekent dus niet automatisch dat het dierenwelzijn beter is. Ook andere onderzoeken concluderen dat geen enkel huisvestingssysteem ideaal is voor het welzijn van de hen. Bij biologische eieren kunnen de volgende keurmerken op de doos staan: Beter Leven 3 sterren, EKO keurmerk of het Europees biologisch keurmerk. Om voor biologisch in aanmerking te komen, moeten kippen bijvoorbeeld ook biologisch voer krijgen naast de welzijnseisen.

Beter Leven

Naast de genoemde systemen is er nog een heel scala aan verschillende keurmerken in de omloop, die hieronder wat verder worden toegelicht en beknopt zijn weergegeven in tabel 1. Een aantal eieren van verschillende huisvestingssystemen krijgt van de Dierenbescherming 3 sterren Beter Leven. Dit zijn alle biologische eieren en daarnaast het Rondeel-ei, het Kipster-ei, het Gijs-ei, het Vrolijke Kip-ei en het natuurlijk beter leven-ei. Deze laatste 5 zijn niet-biologische vrije uitloop eieren die voldoen aan de (aangepaste) welzijnseisen voor 3 sterren. Rondeel en Kipster eieren hebben desondanks toch code 2, omdat de oppervlakte aan vrije uitloop per kip niet voldoet aan de eisen om in aanmerking te komen voor code 1 volgens Europese regelgeving. Bij producten waar eieren in zitten, moeten 95% van de dierlijke ingrediënten voldoen aan het Beter Leven keurmerk om in aanmerking te komen voor het desbetreffende keurmerk. Ten slotte zijn er ook nog eieren zoals volkoren-ei, mais-ei, zonnebloem-ei, omega-3-ei/Colombus-ei en viergranen-ei, die iets zeggen over het voer wat de kippen krijgen. Deze benamingen zeggen echter niks over de omstandigheden waaronder de kippen leven.

De kleur van eieren zegt overigens niks over de levenswijze van de kip, maar slechts iets over de kip zelf (welke hybride). Over het algemeen leggen bruine kippen (met rode oorlellen) bruine eieren en witte kippen (met witte oorlellen) witte eieren, maar die stelregel gaat niet altijd op. Bruine eieren zijn iets duurder dan witte eieren, omdat bruine leghennen over het algemeen groter zijn en dus ook meer voedsel nodig hebben.

Tabel 1. Overzicht van de belangrijkste manieren van het houden van leghennen en de verschillende welzijnskeurmerken.

Tabel met overzicht van houderijsystemen en welzijnskeurmerken voor leghennen

In figuur 5 is schematisch weergegeven hoeveel eieren er “geproduceerd” worden per houderijsysteem

Grafiek van eierproductie per houderijsysteem

[Figuur 5. Overzicht van de eierproductie uitgezet tegen de verschillende houderijsystemen op basis van cijfers uit 2015.

Wat kun je doen?

Deel dit onderzoek met je omgeving.

Bronnen

76 bronnen

Boek 5Sectorbron 4Wetenschappelijke publicatie 3Belangenorganisatie 1Keurmerk 1Officieel document 1Overig 61

  1. Collias, N.E. et al. (1967) A field study of the Red Jungle Fowl in North-Central India. Condor 69 (4); p. 360-386

    1
  2. Dawkins, M.S. (1989) Time budgets in Red Junglefowl as baseline for the assesment of welfare in domestic fowl. Applied Animal Behavious Science 24; p. 77-80

    1
  3. Rattenborg, N.C. et al. (1999) Half-awake to the risk of predation. Nature 397; p. 397-398

    1
  4. Rugani, R et al. (2007) Rudimental numerical competence in 5-day-old domestic chicks (Gallus gallus): identification of ordinal position. Journal of Experimental Psychology: Animal Behavior Processes 33 (1); p.21-31

    1
  5. Regolin, L. et al. (1995) Perception of partly occluded objects by young chicks. Perception & Psychophysics 57 (7); p. 971-976

    1
  6. Marino, L. (2017) Thinking chickens: a review of cognition, emotion, and behavior in the domestic chicken. Animal Cognition. 20; p. 127-147

    1
  7. Shanahan, M. et al. (2013) Large-scale network organization in the avian forebrain: a connectivity matrix and theoretical analysis. Frontiers in Computational Neuroscience 7 (89); p. 1-17

    1
  8. Edgar, J.L. et al. (2011) Avian maternal response to chick distress. Proceedings Biological sciences 278 (1721); p. 3129-3134

    1
  9. Annie Pots (2012) Chicken. Animal Series. Reaktion Books LTD, ISBN 978-1-86189-858-6

    1
  10. Smith, C.K.L. et al. (2014) Brainy Bird. Scientific American (February); p. 60-65

    1
  11. RDA (2006) Natuurlijk gedrag van legkippen en vleeskuikens. Advies RDA 2006/06

    1
  12. Humane Society International (2014) About chickens

  13. Nicol, C. J. (2015) The behavioural biology of chickens. CABI; ISBN 978-1-78064-250-5

  14. Van Niekerk, T.G.C.M. et al. (2011) Ingrepen bij pluimvee. Wageningen UR Livestock Research. Rapport 468. ISSN 1570-8616

    2
  15. Van Niekerk, T.G.C.M. et al. (2011) Pilotstudie naar welzijnsaspecten van kammen dubben bij hanen van legrassen. Wageningen UR Livestock Research. Rapport 469. ISSN 1570-8616

    2
  16. Decuypere, E. et al. (2007) The day-old chick: a crucial hinge between breeders and broilers. CEVA Animal Health Asia Pacific, hatchery expertise online 12

    2
  17. Regeling-Besluit houders van dieren BWBR0035217; artikel 2.75 Verlichting

    2
  18. Van Niekerk, T.G.C.M. et al. (2012) Verlagen van uitval bij leghennen. Wageningen UR Livestock Research.

    23
  19. Lohman Brown Classic. Management guide colony systems (2011)

  20. Lohman Brown Classic. Management guide colony systems (2011)

    2
  21. EFSA (2011) Scientific opinion concerning the welfare if animals during transport. EFSA Journal 9 (1):1966

    2
  22. Van Niekerk, T.G.C.M. et al. (2014) Welzijn van uitgelegde hennen tijdens vangen en vervoer in de winterperiode. Wageningen UR Livestock Research. Livestock Research Rapport 758

    2
  23. Kamervragen behandeling uitgelegde hennen

    2
  24. Savory, C.J. (1995) Feather pecking and cannibalism. World’s Poultry Science Journal 51; p. 215-219

    3
  25. Rodenburg, T.B. et al. (2013) The prevention and control of feather pecking in laying hens: identifying the underlying principles. World’s Poultry Science Journal 69; p. 361-374

    3
  26. Edgar, J. et al. (2016) Influences of maternal care on chicken welfare. Animals 6 (1), 2

    3
  27. Een versnelde uitfasering van ingrepen in de pluimveehouderij. Kamerstukken (2013). Kenmerk DGA-DAD/13076705

    3
  28. Een integraal kader voor regels over gehouden dieren en daaraan gerelateerde onderwerpen (Wet dieren) 31 389, nr. 129

    3
  29. van Niekerk, T.G.C.M. et al. (2011) Van kuiken tot kip. Wageningen UR Livestock Research

    3
  30. Bestman, M. et al. (2003) Farm level factors associated with feather pecking in organic rearing hens. Livestock Production Science 80; p. 133-104

    3
  31. Van Niekerk, T.G.C.M. (2017) Managing laying hen flocks with intact beaks. In: Achieving sustainable production of eggs. Roberts, J. Cambridge: Burleigh Dodds Science Publishing Limited – ISBN 9781786760807

    3
  32. The Humane Society of the United States, “Understanding mortality rates of laying hens in cage-free egg production systems”(2010) Farm Animals, Agribusiness, and Food Production. 3

    3
  33. Fulton, R. M. (2017) Causes of normal mortality in commercial egg-laying chickens. Avian Diseases 61; p. 289-295

    3
  34. Bridle, B.W. et al. (2006) T lymphocyte subpopulations diverge in commercially raised chickens. The Canadian Journal of Veterinary Research 70; p. 183-190

    3
  35. Gezondheid van biologische leghennen (2008). Animal Sciences Group. ISSN 1570-8632

    3
  36. Van Emous, R.A. et al. (2005) Bloedluizen (vogelmijten) op papier en in de praktijk. Praktijkrapport Pluimvee 17. Wageningen UR, Animal Science Group, ISSN 1570 8624

    3
  37. Van Veldhuizen (2003) Bloedluis: bestrijdingsmethoden en ervaringen uit de praktijk. In PAOD cursus: Rode Bloedluis, Houten

    3
  38. Persoons, D. et al. (2011) Een update van colibacillose bij kippen. Vlaams Diergeneeskundig Tijdschrift 80; p. 161-166

    3
  39. Broekhuizen, G. (2013) Colibacillose bij leghennen: een pilot voor een veldstudie naar de economische impact voor de Nederlandse leghennenhouder. Onderzoekstage verslag. Universiteit Utrecht, Faculteit Diergeneeskunde

    3
  40. Vandekerchove, D. (2004) Colibacillosis in battery-caged layer hens: clinical and bacteriological characteristics, and risk factor analysis. Proefschrift Universiteit Gent, Faculteit Diergeneeskunde

    3
  41. Bouwstra, R. et al. (2017) Risk for low pathogenicity avian influenza virus on poultry farms, the Netherlands, 2007-2013. Emerging Infectious Diseases 23 (9); p. 1510-1516

    3
  42. van Dijk, J.G.B. (2014) Pathogen dynamics in a partial migrant: interactions between mallards (Anas platyrhynchos) and avian influenza virus. Proefschrift Universiteit Utrecht ISBN 978-90-6464-811-3

    3
  43. Tatem, A.J. et al. (2006) Global transport networks and infectious disease spread.Advances in Parasitology 62; p. 293-343

    3
  44. Heerkens, J.L.T. (2016) Risk factors associated with keel bone and foot pad disorders in laying hens housed in aviary systems. Poultry Sciences 95; p. 482-488

    3
  45. Borstbeenafwijkingen bij leghennen voorkomen. Boerenbond, Management & Techniek 14; 15 augustus

    3
  46. Hoog percentage borstbeenletsel bij legkippen in volières. ILVO persbericht – donderdag 12 juni 2014

    3
  47. Delezie, E. et al. (2016) Leghennen en volièresysteem beter op elkaar afstemmen. Boerenbond, Management & Techniek 10; 27 mei

    3
  48. Nasr, M.A.F. et al. (2013) Positive affective state induced by opioid analgesia in laying hens with bone fractures. Applied Animal Behaviour Science 147; p. 127-131

    3
  49. Nasr, M.A. et al. (2013) The effect of keel fractures on egg production, feed and water consumption in individual laying hens. British Poultry Science 54 (2); p. 165-170

    3
  50. Opinion of osteoporosis and bone fractures in laying hens (2010) Farm Animal Welfare Council

    3
  51. Webster, A.B. (2004) Welfare implications of avian osteoporosis. Poultry Science 83; p. 184-192

    3
  52. EFSA (2005) The welfare aspects of various systems of keeping laying hens. The EFSA Journal 197; p. 1-23

    3
  53. Kajlich, A.S. et al. (2016) Incidence, severity, and welfare implications of lesions observed postmortem in laying hens from commercial noncage farms in California and Iowa. Avian Diseases 60 (1); p. 8-15

    3
  54. Van Niekerk, T.G.C.M. et al. (2016) Inventarisatie van de effecten van uitloop pluimveehouderij op de bodem-, water- en luchtkwaliteit. Wageningen UR Livestock Research. Livestock Research Rapport 954 1

    4
  55. Legsector vaktechniek.(2014) Buitenuitloop dubbel benutten. Pluimveehouderij, 44e jaargang, 7 februari

    4
  56. Bestman, M. et al. (2016) Uitval van bedrijfsmatig gehouden kippen door toedoen van roofvogels. Louis Bolk Instituut. Publicatienummer 2016-005 LbD

    4
  57. Bestman, M. et al. (2009) Biologische leghennen: gezond, gezonder, gezondst. De relatie tussen bedrijfsfactoren en diergezondheid. Louis Bolk Instituut. Publicatienummer LD 17

    4
  58. Brief van de staatssecretaris van economische zaken met betrekking tot uitvoering Flora- en Faunawet (2014) Publicatie kst-29446-90

    4
  59. Bestman, M. et al. (2011) Weren van roofvogels uit de kippenuitloop. Louis Bolk Instituut. Publicatienummer 2011-004 LbD

    4
  60. Wageningen UR projectteam. Houden van hennen: op naar gelukkige kippen, trotse boeren en tevreden burgers. Wageningen UR. ISBN 90-6754-791-3

    4
  61. Van Niekerk, T.G.C.M. et al. (2011) Het Rondeel, resultaten gedrag en welzijn eerste legronde. Wageningen UR Livestock Research. Rapport 473. ISSN 1570-8616

    4
  62. Gezondheid van biologische leghennen (2008). Animal Sciences Group. ISSN 1570-8632

    4
  63. Vaarts, M. et al. (2008) Animal health challenges and veterinary aspects of organic livestock farming identified through a 3 year EU network project. Open Veterinary Science Journal 2 (1); p. 111-116

    4
  64. van Overbeke. J. (2016) Invloed van hybride en loopvoorzieningen op borstbeenletsels, grondeieren en ei-kwaliteit bij leghennen. Masterproef Universiteit van Gent, Faculteit Bio-ingenieurswetenschappen

    4
  65. Hilkens, W. et al. (2016) Kansen voor kwaliteit; geld voor je eieren. Publicatie ABN AMRO

    4

Bekijk ons onderzoek naar de Nederlandse en Belgische dierindustrie met undercover beeldmateriaal.

Elke stal, boerderij en slachterij waar wij filmden, met de onderzoeken die er zijn gedaan.

Wij stellen een donatie zeer op prijs. Elke gedoneerde cent wordt besteed aan eerlijk onderzoekswerk naar de dierindustrie.

Doe mee met Ongehoord en help het welzijn van dieren te verbeteren. Ontdek hoe je kunt bijdragen aan ons werk.

Heb je een vraag of wil je iets kwijt? Neem dan contact met ons op via het contactformulier.

2026 OngehoordOpen data